Naar aanleiding van mijn eerdere artikel over vitamine D in relatie tot Covid-19, kwamen me veel misvattingen ter ore. Ik heb ze hier op een rijtje gezet.

Image for post
Image for post

1. Ik eet gezond dus ik heb sowieso geen tekort aan vitamine D.

Die redenering klopt wel voor de meeste andere vitamines en mineralen, maar niet voor vitamine D. Zelfs als je supergezond eet, krijg je maar een derde van de hoeveelheid die je nodig hebt binnen via je voeding. In veel voedsel zit helemaal geen vitamine D — niet in fruit, groenten, brood bijvoorbeeld en helaas ook niet in verrukkelijkheden als rode wijn of chocolade. Waar het dan wel in zit? Vooral in vette vis — haring, makreel, zalm, forel… Ook zit er een klein beetje in dierlijke producten zoals vlees, boter en eieren. Ten slotte wordt het kunstmatig toegevoegd aan halvarine, margarine en bak- en braadproducten (niet aan olie).
Maar zelfs als je dat allemaal regelmatig eet, dan is dat nog niet voldoende. …


Image for post
Image for post

Er zijn aanwijzingen dat een tekort aan vitamine D je kwetsbaarder maakt voor Covid-19. De vitamine is niet alleen belangrijk voor je botten, maar óók voor je afweer — en dan vooral de afweer tegen infecties van de luchtwegen.

Diana de Veld

De dagen worden weer korter en de zon staat de hele dag laag aan de hemel. Dat betekent dat onze vitamine D-spiegels aan het dalen zijn. Onze huid maakt deze vitamine aan met behulp van ultraviolet licht uit zonlicht — zolang je tenminste niet bent ingesmeerd met zonnebrandcrème. Maar in ons land valt het zonlicht in de donkere maanden zó schuin op aarde dat de dampkring vrijwel al het UV-B-licht eruit filtert. Resultaat? Nul vitamine D-productie.
Het advies van de Gezondheidsraad is om elke dag tussen 11 en 15 uur 15 tot 30 minuten in de zon te zijn, met in elk geval je hoofd en handen onbedekt. Dan zou je tussen maart en oktober voldoende vitamine D aanmaken. Maar in de overige maanden kun je desnoods de hele dag in je blootje buiten lopen: het helpt niet. De voorraad die je in de zomer opbouwt, halveert elke vier tot zes weken. Zo rond maart, vlak voordat de zonkracht weer flink toeneemt, is onze vitamine D-spiegel dan ook op z’n laagst.
Opvallend is dat de pandemie juist in maart op z’n hoogtepunt was. Pas nu, in de herfst, komt het virus opnieuw opzetten. De intelligente lockdown speelt hierbij ongetwijfeld een hoofdrol, maar we zien hetzelfde patroon bij andere virussen: in de winter snotteren we meer dan in de zomer. En er zijn nog andere tekenen die erop kunnen wijzen dat vitamine D de kans op Covid-19 of de ernst ervan kan verminderen. Zo hebben de mensen die het zwaarst getroffen worden door corona, vaak óók een lage vitamine D-spiegel. Bijvoorbeeld ouderen, de groep waarin de meeste Covid-19-slachtoffers vallen. De oudere huid is namelijk minder goed in staat vitamine D te maken en daarnaast komt ouderen vaak minder buiten. “In de Longitudinal Aging Study Amsterdam had ongeveer de helft van de 65-plussers een tekort aan vitamine D’’, zegt dr. Natasja van Schoor, verbonden aan Amsterdam UMC.
Mensen met een donkere huidskleur blijken eveneens harder te worden geraakt door Covid-19, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië en in de Verenigde Staten. En ja, met een donkere huid in een land ver van de evenaar heb je óók meer kans op een gebrek aan vitamine D. De huidpigmenten absorberen namelijk een flink deel van het benodigde UV-B-licht. In 2011 stelde het RIVM bijvoorbeeld vast dat 8 op de 10 vrouwen met een Surinaamse afkomst en ouder dan 50 jaar een tekort had aan vitamine D. Onder alle Nederlanders met een niet-westerse achtergrond komen vitamine D-tekorten relatief vaak voor.
Een derde risicogroep voor Covid-19 zijn mensen met overgewicht. We kennen nog de beelden van zware mensen op hun buik op de IC. Bij dikke mensen is de vitamine D-spiegel gemiddeld lager. ,,Vitamine D3 is vetoplosbaar en gaat in lichaamsvet zitten, in plaats van waar je het nodig hebt’’, zegt immunoloog en diabetesonderzoeker hoogleraar Bart Roep, verbonden aan het LUMC en het Center of Hope Diabetes in Los Angeles. ,,In de VS pleiten groepen deskundigen er al voor om de dagelijkse vitamine D-adviezen te verdrievoudigen.’’
Onderzoekers zien duidelijk dat patiënten die met corona in het ziekenhuis belanden, gemiddeld een lagere vitamine D-spiegel hebben. Dat zegt nog niet automatisch dat een gebrek aan deze vitamine daarvan een oorzaak is. Ouderen zijn bijvoorbeeld sowieso kwetsbaar door hun zwakkere afweersysteem. Mensen met een migratieachtergrond hebben door slechtere sociaaleconomische omstandigheden gemiddeld een mindere gezondheid en zijn vaak kleiner behuisd, en mensen met overgewicht leiden vaker aan chronische ziekten. Voor de seizoenspatronen bij infecties geldt hetzelfde: misschien komt dat bijvoorbeeld doordat mensen dichter op elkaar zitten in de winter. Het is kortom moeilijk om de stap te maken van ‘we zien een verband’ naar ‘we zien een oorzaak’. ,,Of een vitamine D-supplement helpt om infecties te voorkomen zal eerst op een goede systematische wijze moeten worden aangetoond’’, vindt Patricia Schutte van het Voedingscentrum.
Dat kan bijvoorbeeld door te loten: de ene groep mensen krijgt dan een vitamine D-supplement en de andere een placebo. Dat is voor Covid-19 nog niet zo vaak gebeurd. Eén Spaanse studie deed het wel, bij 76 patiënten die waren opgenomen vanwege corona. Van de vijftig patiënten die vitamine D kregen toegediend, kwamen er twee op de intensive care terecht en overleed niemand. Van de 26 patiënten die een placebo kregen belandden er dertien op de ic en overleden uiteindelijk twee patiënten. Dat klinkt als indrukwekkend bewijs voor een sterke bescherming door vitamine D, maar de studie had wel wat mankementen. Ondanks de loting leken de patiëntengroepen niet genoeg op elkaar, en de groep deelnemers was vrij klein. Het resultaat zou in andere studies dus bevestigd moeten worden.
In 2017, toen Covid-19 nog niet bestond, liet een grote analyse van 25 studies met loting zien dat vitamine D-supplementen mensen deels beschermen tegen luchtweginfecties. Vooral mensen met een tekort aan vitamine D hadden er veel baat bij. We zullen moeten wachten tot er grote soortgelijke studies tijdens deze pandemie zijn uitgevoerd tot we het zeker weten. Maar het staat iedereen vrij om vitamine D te slikken, mits de veilige dosis niet wordt overschreden. …


Image for post
Image for post

Ik staarde naar zijn voorhoofd. BEAST, stond er in zwarte, Gotische letters. Ook de rest van zijn gebruinde huid zat onder de woeste tattoos. Mijn ouders leken er niet door aangedaan: ze luisterden braaf knikkend naar zijn uitleg over de douche, de afwasplekken, de toiletten, en wáár precies op de camping auto’s wel en niet welkom waren. Ze keken erbij alsof ze een getatoeëerde, kaalgeschoren vent met grote gaten in zijn oorlellen doodnormaal vonden. Terwijl ze nota bene al op z’n kop stonden toen ik vorige week mijn haar groen verfde. Ik bedoel: dat groeit er gewoon uit.
Beast deed het ook wel voortreffelijk: duidelijke handgebaren, een open, vriendelijke blik in zijn ogen. Hij sprak zijn talen — Duits en Engels. De Noorse camping waar we ons bevonden straalde een vreemde mengeling uit van Viking-historiek en een Satudarah-motorclub. Een linksig sfeertje zoals onder de vrijwilligers van Archeon, waar ik als kind vaak kwam, met zelfgemaakte sandalen en walmend houtvuur — en anderzijds de wat ruigere motorrijders, met veel leer en tatoeages. Het zou me niet verbazen als ze ergens een pistool of mes verborgen. Van de eerste soort leek Beast het gastvrije karakter te hebben overgenomen. Waar de rauwe kant zich in uitte, moest nog blijken. “So, ladies and gentlemen, you can find your spot now,” besloot hij zijn uitleg. Ik keek hem aan. Zijn blik bleef iets te lang op mij rusten. Resoluut draaide hij zich om en liep naar de kantine bij de receptie, waar een man met opgeschoren haar en van boven een lange, blonde vlecht hem opwachtte.
Mijn ouders en ik begonnen meteen te zoeken naar de beste plek voor onze tent. “Hier is schaduw!” riep mijn moeder. Ze stond gebukt onder een overhangende boom. “Maar hier is elektriciteit! Ook belangrijk in deze hitte”, grinnikte mijn vader. Ik mocht kiezen. Gekoeld bier leek me belangrijker dan een beetje schaduw. Ik was deze zomer 18 jaar geworden en nu wilde ik het weten ook. Mijn oudere zus Sazia was het huis al uit, dit was de eerste keer dat mijn ouders alleen met mij op vakantie moesten. Nou ja, moesten: ze wilden het graag. Ik was zelf liever naar Ibiza gegaan met mijn vriendinnen. Maar dat kostte honderden euro’s — die ik niet had — en Noorwegen met mijn ouders was gratis. Helemaal gratis. …


De vorkheftruck reed trefzeker op zijn toekomstige ballast af: een stapel oude pallets, verweerd door regen en wind. Piet genoot van zijn controle over de machine. Hij reed er al 35 jaar op en wist precies hoe hij de bochtjes het scherpst kon nemen, hoe snel hij maximaal kon optrekken en afremmen zonder de last op de dragers aan het wankelen te brengen, en hoe hij zijn lading veilig moest deponeren op de plek van bestemming. Hij neuriede tevreden en dacht intussen aan het avondmaal dat hij straks zou gaan bereiden: nasi, zonder pakjes en zakjes. Met sperziebonen, uien, speklap, knoflook en verschillende specerijen. …


Daar loopt ze, met haar logge, waggelende lijf: de koe. Deze koe trof het goed. Ze werd niet geboren op een Nederlandse boerderij, waar haar leven louter had bestaan uit rondgrazen in een weide, af en toe onderbroken door een gang naar de melkmachine die haar ruw bij haar overspannen spenen greep. Deze koe had het geluk — of was het karma? — om ter wereld te komen in juist dat ene land op aarde waar zij als heilig wordt beschouwd: India. Hoewel de koe zelf niet gelovig is, draagt ze het hindoeïsme een warm hart toe. Dankzij dit geloof mag zij tenslotte lopen waar ze wil, stappen mensen nederig uit de weg als zij zich door de massa baant en geven ze haar regelmatig te eten. De meer frivole gelovigen versieren haar hoorns zelfs met vrolijk gekleurde bloemetjes, zodat zij zich bijna een prinsesje voelt. Ze zou er het liefst een elegante sari en hoge hakken bij dragen, maar dat is met haar figuur helaas niet haalbaar.
Af en toe gluurt ze even naar binnen in zomaar een huis langs de steeg waardoor ze loopt. Haar gehoornde kop draait traag om het hoekje van de deurpost, en met haar wat lijzige oogopslag tuurt ze om zich heen. Wat ze ziet is meestal armoedig: een ongelijke vloer met een miezerig kleedje erop, zelden symmetrisch gepositioneerd. Beige wanden die niet al te schoon zijn, en verder vooral erg weinig. Soms treft ze een kind dat verrast opspringt vanwege haar aanwezigheid, dan naar haar wijst en lacht, een moeder erbij roept. De moeder is altijd wat minder enthousiast, zoals de koe gekwetst constateert. De moeder zucht vermoeid en pakt een bezem of doek om de koe — met hindoeïstisch respect weliswaar — de deur uit te wuiven. Alsof zij een vlaai zou laten uit haar mond, denkt ze dan beledigd. En trouwens, zo schoon is het huis meestal toch al niet.
Verder dan een kop naar binnen komt ze nooit, want de deur is gebouwd voor mensen en niet voor een weldoorvoed heilig dier. Vandaag echter ziet ze een deur die een stuk ruimer oogt. Ervoor een paar traptreden, erboven een hoog, spits gebouw in meer kleuren dan de bloemen op haar hoofd. Dit nu moet een hindoetempel zijn, denkt ze bij zichzelf. Hier komen de gelovigen samen om hun goden te eren, van wie er velen in gebeeldhouwde vorm de tempel sieren. Haar halfgesloten ogen werpen een blik op een god met vele armen ergens halverwege het gebouw. Zijzelf heeft alleen poten en toch wordt ze vereerd, denkt ze voldaan. Haar heiligheid waardig schrijdt ze de treden op — het zijn er gelukkig maar drie, zodat haar voorpoten al boven zijn als haar achterpoten nog aan de klim moeten beginnen. Het coördineren van vier poten op traptreden zou best een uitdaging zijn zonder achteruitkijkspiegels zoals ze die kent van riksja’s. Ze schuifelt de deur door en laat een gepast geloei horen.
De vele aanwezigen die aan het bidden en zingen waren zwijgen plots en draaien hun hoofd naar haar toe. “De tempelbel!” fluistert een oudere dame. “De koe moet aan de tempelbel trekken als ze de tempel in wil!” Snel staat een jonge man op en rent naar de koe toe. Zij deinst van schrik een stapje achteruit, maar hij glimlacht vlug en geeft dan een slinger aan de goudkleurige bel naast de deur. De koe loeit nogmaals en probeert daarbij de toonhoogte van de bel te benaderen, wat vrij goed lukt. De gelovigen lachen bemoedigend en kijken bewonderend toe hoe zij verder naar binnen schommelt.
Uniek is het wel, een koe in de tempel. Maar alsof ze het afgesproken hebben is er niemand die haar hindert. Waarom zouden ze ook? Een heilig dier op bezoek in de tempel — hoe zouden ze hun goden méér eer kunnen betonen dan op deze manier?
De koe weet niet wat haar overkomt: voor het eerst in haar leven bevindt zich boven haar hoofd geen hemel maar een plafond. Ze kijkt niet omhoog, maar voelt de aanwezigheid van een overdekking. Het binnen zijn lijkt een geheel andere werkelijkheid dan haar normale bestaan in de vrije buitenlucht. De sfeer is er ernstiger en het is er stiller. Haar blik valt op een bosje bloemen bij een beeld van een god met een slurf. Ze loopt erop af en werkt traag kauwend de bloemen naar binnen. Ze smaken goed en fris, niet alsof ze al geruime tijd in deze tempel verkeerd hebben. Misschien is het standbeeld zout, denkt ze, en likt er verwachtingsvol aan. Dat valt tegen: de god met de slurf smaakt naar niets, hooguit een beetje stoffig. De gelovigen, die eerst nog wat lacherig op haar aanwezigheid in het heiligdom reageerden, lijken enigszins ontdaan door deze acties. Maar al snel plaatsen ze de gebeurtenissen in een nieuw kader. “De koe vereert Ganesha! De koe vereert Ganesha!” mompelen ze verrukt. Een eentonig gezang bestaande uit deze woorden stijgt op in de tempel. De koe schrikt ervan. Zoveel betekenis hoeft men nu ook weer niet aan haar te hechten, zij is ook maar een dier van vlees en bloed. Ze verliest haar zelfbeheersing en begint te rennen. Niet zoals een paard, netjes in galop of in draf, maar op haar karakteristieke koeachtige wijze. Kont omhoog, kont omlaag, als een slecht ontworpen loopmachine zonder enige elasticiteit in haar ruggengraat. Het gezang stopt. Sommige oudere dames slaan een hand voor hun mond. De koe geeft een rondje weg, waarbij iedereen die in haar weg staat zoals gebruikelijk braaf opzij stapt, en weet de deur naar buiten weer te vinden. Het trapje af gaan verloopt minder elegant maar stukken sneller dan haar heenweg. Eenmaal buiten weet ze even niet waar ze het zoeken moet. Verbaasd draait ze haar grote hoofd om en gluurt opnieuw naar de god met de vele armen. Van de zenuwen laat ze een grote vlaai. …


Image for post
Image for post

Niets is vervelender dan een T-shirt dat uit je broek komt. Met z’n zachte witte armpjes trekt het zich omhoog, de polsen in een scherpe hoek gebogen zodat zijn vingertjes zich kunnen vastklampen aan de lussen om je broekriem. Je ruikt de geur van wasmiddel en je weet: het is weer zover. Dat T-shirt wil weer eens niet blijven waar het hoort, namelijk daar beneden, om je onderlichaam heen. Nu het T-shirt eenmaal uit je broek gekomen is, voel je een koude bries vanaf je middel opstijgen. Niets weerhoudt de decemberwind er meer van om onder je trui en winterjas door je naakte huid te bereiken. Het T-shirt verzaakt zijn taak, op de meest gruwelijke manier. Zijn daad roept walging bij je op. …

About

Diana de Veld

Medisch en wetenschapsjournalist (www.dianadeveld.nl)

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store